“Jongeren hebben geen interesse in het milieu.” Dat was de boodschap die na het nieuwe PISA-onderzoek in veel media te lezen was. Een harde conclusie. En ook een onterechte. Want wie beter kijkt, ziet iets anders. Nederlandse jongeren weten juist best veel over klimaat, natuur en milieu. Toch doen ze relatief weinig met die kennis. Dat blijkt uit hetzelfde onderzoek onder 15-jarigen, waar NRC deze week opnieuw aandacht aan besteedde. Voor Vereniging GDO en vSKBN onderstreept dit hoe belangrijk het is om kennis te verbinden aan ervaren, onderzoeken en doen.

Wat bleek uit het onderzoek?

PISA onderzoekt wat 15-jarigen kunnen, bijvoorbeeld in lezen en rekenen. Deze keer kregen leerlingen ook vragen over het milieu. Meer dan 6.600 Nederlandse scholieren deden mee. De eerste berichten in de media waren streng. Nederlandse jongeren zouden weinig interesse hebben in natuur en milieu. Maar als je beter kijkt, is het beeld anders. Dat schreef NRC deze week. Nederlandse jongeren weten juist best veel over natuur en milieu. Daarop scoort Nederland redelijk goed in vergelijking met andere landen.

Waar Nederland laag op scoort, is de stap van weten naar doen. Nederlandse jongeren geloven minder dan jongeren in andere Europese landen dat ze zelf kunnen helpen. Op school gaan ze ook weinig naar buiten om milieuproblemen te onderzoeken. En in de klas praten ze weinig over oplossingen. Van de jongeren die nog nooit aan een milieuactiviteit meededen, zegt ruim de helft: iemand anders lost het probleem wel op.

Kennis alleen is niet genoeg

Wetenschappers weten al langer dat meer kennis niet vanzelf leidt tot duurzamer gedrag. Ander onderzoek laat zien dat jongeren zich zorgen maken over het klimaat. Ze willen ook graag iets bijdragen. Toch neemt hun betrokkenheid in de puberteit af (Thomaes et al., 2023). Jongeren twijfelen of wat zij doen echt verschil maakt, ze zien weinig voorbeelden bij ouders en vrienden.

Goed onderwijs gaat daarom over hoofd, hart én handen. Het gaat om kennis, maar ook om beleven en zelf doen. Alleen zo kunnen jongeren zich een eigen mening vormen over grote vraagstukken zoals klimaat, water en biodiversiteit.

Wat is er nodig?

“Juist daar zien wij een belangrijke rol voor natuur- en duurzaamheidseducatie”, zegt Arjan Klopstra, Netwerkcoördinator van Vereniging GDO. “De uitdaging is niet alleen om kinderen en jongeren méér te vertellen over klimaat, natuur of duurzaamheid. Het gaat erom dat zij die onderwerpen kunnen ervaren, onderzoeken en verbinden aan hun eigen omgeving.”

Als jongeren zelf onderzoek doen, samen praten over oplossingen en iets doen in hun eigen buurt, ontdekken ze dat ze invloed hebben. Dat noemen we handelingsperspectief: het gevoel dat je zelf en samen met anderen, echt iets kunt doen.

De plekken zijn er al

Nederland heeft al een sterk netwerk om dit mogelijk te maken. Er zijn meer dan 400 NDE-centra, stads- en kinderboerderijen, schooltuinen en andere groene leerplekken. Daar kunnen scholen het klaslokaal verbinden met de praktijk. Denk aan onderzoek naar biodiversiteit in de buurt of lessen over voedsel, klimaat en een gezonde leefomgeving.

Leren door te doen

Vereniging GDO zet zich met verschillende programma’s in voor leren door te doen. Drie voorbeelden laten zien hoe dat werkt.

Bij Eco-Schools werken leerlingen in een Eco-Team aan duurzaamheid op hun eigen school. Daarmee pakken ze precies aan waar jongeren vaak aan twijfelen. In een Eco-Team ontdekken leerlingen dat hun ideeën en acties echt verschil maken. Ze leren hun eigen interesses en talenten kennen. Ze werken samen met anderen die ook in actie willen komen en ze maken duurzaam denken en doen zichtbaar voor de hele school.

Ook bij Watereducatie staat doen centraal. Via Watereducatie.nl vinden docenten lesmateriaal dat leerlingen activeert en aansluit op de kerndoelen en eindtermen. Scholen kunnen een getrainde gastdocent uitnodigen of op bezoek gaan bij een waterlocatie. Want leren gebeurt niet alleen in het klaslokaal.

Watereducatie is een samenwerking van onder meer waterschappen, drinkwaterbedrijven en NDE-organisaties. We werken nauw samen met het programma Leven met Water van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dat programma helpt Nederlanders om zelf iets te doen aan watervraagstukken, zoals droogte, vervuild water of wateroverlast.

Dat natuureducatie meer kan zijn dan losse activiteiten, laat het Collectief Natuurinclusief zien. Daarin werken scholen, hogescholen, universiteiten, jongeren en maatschappelijke organisaties samen. Hun doel: natuur krijgt een vaste plek in het onderwijs, van de peuterspeelzaal tot de hogeschool.

Vorig jaar ondertekende Vereniging GDO en de vSKBN, de position paper Jeugd & Natuur van het Collectief Natuurinclusief. Daarin spreken overheden, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties samen af: natuur is geen extraatje, maar een vast onderdeel van opgroeien en leren. Dat is hard nodig. Kinderen zijn steeds minder buiten, terwijl natuur goed is voor hun gezondheid, hun leren en hun zelfvertrouwen.

Een gezamenlijke opdracht

De vraag is dus niet waarom jongeren weinig zouden geven om natuur en milieu. De vraag is: hoe geven we hen meer kansen om iets met hun betrokkenheid te doen? Dat is niet alleen goed voor de natuur, maar ook voor het welzijn van jongeren zelf. Losse activiteiten zijn daarvoor niet genoeg. Er is structurele samenwerking nodig tussen scholen, gemeenten, het Rijk en lokale organisaties die de plekken, kennis en netwerken hebben. Dat is een opdracht die we samen oppakken.