Op veel kinderboerderijen wordt er gewerkt met cliënten met een verstandelijke of fysieke beperking. Zij voeren verschillende werkzaamheden uit op de kinderboerderij, zowel met als zonder dieren. Cliënten kunnen aan het werk gaan op het erf of in de kantine/horeca. Maar ze kunnen ook werkzaamheden verrichten met of bij de dieren. Hierbij is het belangrijk dat bij de keuze van een specifiek diersoort afgewogen wordt of het dier past bij de cliënt.
Welke diersoort past bij een cliënt?
Bij deze keuze kan bekeken worden met welk dier de cliënt zich vertrouwt voelt. Hij kijkt dan naar de verwantschapskant van het dier. Over het algemeen mag je verwachten dat bijvoorbeeld een rustig persoon zich meer aangetrokken voelt tot een koe dan tot een ren met kippen. Ook kan er gekeken worden hoe een cliënt via het dier iets kan ontwikkelen dat tot dusver onvoldoende uit de verf is gekomen. Iemand die bijvoorbeeld onvoldoende sturing over zichzelf heeft, kan dit ontwikkelen door op het paard de leidsels in de handen te nemen. Door het paard te sturen leert het zichzelf te sturen. Een kind met ADHD kan via een koe het rustige deel van zichzelf ontwikkelen. Cliënten kunnen zelf ook goed kenbaar maken met welke dieren ze willen werken. Bij verschillende kinderboerderijen bepalen cliënten in hoge mate welke soorten en rassen aangeschaft worden.
Welke werkzaamheden horen er bij het dier?
Een tweede overweging is welke werkzaamheden een diersoort met zich meebrengt en welke werkzaamheden een cliënt kan uitvoeren. Ook hier kan de beheerder weer kijken naar de werkzaamheden waar de cliënt affiniteit mee heeft. Welke kunnen een bepaalde ontwikkeling bevorderen?
Met welk dier heb ik affiniteit?
Een derde overweging is met welke diersoorten de beheerder affiniteit mee heeft. Met welke dieren kan hij zelf goed overweg? Van welke dieren heeft hij zelf voldoende kennis? Het enthousiasme en de kennis en vaardigheden van de begeleider zijn van groot belang bij het tot stand komen van de ontmoeting tussen cliënt en dier.
Welke dieren passen binnen het bedrijf/instelling?
Een vierde overweging is welke diersoorten passen binnen de bedrijfsopzet en –doelstelling. Hier zijn meerdere mogelijkheden. Een diersoort kan van belang zijn om bedrijfseconomische redenen. Een diersoort kan passen binnen de bedrijfsopzet die in de streek van oudsher thuishoort. Sommige diersoorten hebben ook een educatieve waarde. Een belangrijke overweging is ook hoeveel ruimte, tijd, aandacht en kosten een bepaald diersoort met zich meebrengt. Als er weinig ruimte is, zullen er kleinere dieren aangeschaft worden, zoals kippen en geiten.
Welke activiteiten worden uitgevoerd?
Een vijfde overweging bij de keuze voor diersoorten is de wens om meerdere en verschillende activiteiten met dieren te kunnen aanbieden. Werkzaamheden die iemand alleen kan uitvoeren. Werkzaamheden in groepsverband. Activiteiten die rust brengen. Activiteiten die een beroep doen op weerbaarheid en in beweging komen. Fysiek lichte en zwaardere activiteiten. Het is van belang om jaarrond voldoende werkzaamheden met voldoende diversiteit te kunnen aanbieden. Afhankelijk van de doelstelling en de doelgroep kan het een punt van aandacht zijn om jonge dieren te hebben. Jonge dieren waar cliënten veel contact mee hebben, zullen als ze volwassen zijn ook vaak tammer zijn dan aangekochte volwassen dieren. Als een cliënt een jong dier ziet opgroeien krijgt hij daar vaak meer binding mee. Ze zullen er ook minder angst voor hebben.
Hoeveel dieren kunnen er gehouden worden?
Een laatste overweging is hoeveel dieren van een bepaalde soort gehouden kunnen worden. Bij een bedrijfsmatige context zal er een bepaald minimum aantal van een diersoort gehouden moeten worden. Als er veel dieren van een bepaalde diersoort zijn, zullen cliënten minder binding met die dieren hebben. Hierdoor is het makkelijker om dieren weer te verkopen.
Verschillen tussen diersoorten
Niet elke cliënt voelt zich tot hetzelfde soort dier voelt aangetrokken. Op voorhand is vaak niet te zeggen voor welk dier een cliënt voorkeur heeft. In de praktijk wordt zichtbaar welke diersoort(en) meer aanspreken. Wel is het zinvol van te voren stil te staan bij karakteristieke verschillen tussen diersoorten en het beroep dat ze op een cliënt doen.
Door rekening te houden met deze verschillen in eigenschappen kunnen diersoorten doelgerichter worden ingezet. Sommige dieren zijn er vooral om te verzorgen, te voeren en te knuffelen. Andere hebben daarnaast ook nog een bedrijfseconomische functie.
In het menu hiernaast (kinderboerderijdieren) wordt per diersoort aandacht besteed aan de mogelijkheden in de zorg op de kinderboerderij.